De wandeling

By Posted in - Dagelijkse beslommeringen on February 3rd, 2014 0 Comments

Het is nat en koud buiten. Af en toe hoor ik een zacht gejammer van ongenoegen wat mijn concentratie licht verstoord. Vier grote bruine ogen kijken me al een uur vragend aan. Zitten, liggen, een stukje lopen, een poot op mijn been, een snuit onder mijn elleboog. Oké. Klaar. We gaan.

Laarzen aan, dikke jas aan en muts op. Tuigje aan en ‘wacht’. Jagen op hond nummer twee die ‘wacht’ ook na 8 jaar niet steeds niet wil snappen. We vertrekken. Hekje open en daar gaan we, voort getrokken door die goeie lobbes die meteen als we buiten komen de wereld enthousiast begroet. Of het nu regent, waait of zelfs lichtelijk stormt zoals vandaag, hij is altijd uber gelukkig. We steken de weg over naar het recentelijk nieuw aangelegde fietspad. Het eerste groen wordt meteen begroet met een gouden regen. Onze tocht is begonnen. Over een afstand van 100 meter wordt ik over het grijze asfalt voort getrokken tot het donkere pad dat het bos inleid voor ons opdoemt. We zijn laat vandaag. Eigenlijk net iets te laat. De schemer is al ingetreden en we gaan het nooit redden om ons dagelijkse rondje bos voor donker te voltooien…

De oehoe verwelkomt de ingetreden avond als mijn laarzen wegzakken in de zompige blubber. Twee gouden kralen doorkruisen mijn blik in de verte en kijken mij aan als voelde ze zich betrapt. De schemerwereld is aan het ontwaken en ik voel mij een indringer. De lobbes rent de intredende duisternis in terwijl de speurneus zijn snuit in de aarde duwt op zoek naar haar favoriete geuren. Ik blijf stilstaan om mijn ogen te laten wennen aan het donker. Een harde ruk aan de riem trekt mij abrupt verder het bos in, het veilige verlichte fietspad achter mij latend. Bij elke stap die ik maak zuigt de modder zich vast aan mijn laarzen. De aarde smakt alsof zij mij wil verorberen.

Inmiddels ben ik gehuld in het zwart. Slechts de koplampen van de auto’s op de weg verlichten zo nu en dan mijn pad. Het is laat, veel te laat. Een held op sokken, een lobbes en een speurneus. Terug gaan is geen optie want de lobbes is al uit het zicht. Gelukkig. Nog enkele tientallen meters en het weiland ligt voor mij in al zijn openheid. Licht! En lucht…. Tot mijn adem stokt als ik vlak naast mij ineens hard geritsel hoor. Vier donkere schaduwen doemen op uit de struiken. Met een grote beweging springen zij over de sloot en verdwijnen met forse sprongen in de duisternis aan de andere kant van het weiland. Drie vrouwtjes en een man met een imposant gewei wat scherp aftekent tegen de grijze lucht. De lobbes staat verstijfd in de wei en de speurneus slaat alarm. Hij zit vast en zijn plicht roept! Een ijzige schreeuw snijd door de duisternis. We zijn verraden…. De speurneus heeft onze komst aangekondigd.

Bij het doorkruisen van de openheid verzamel ik alle moed om voor de tweede maal de duisternis te betreden. Het smalle pad wat voor mij ligt leid naar een vennetje wat omringt wordt door eeuwenoude kolossen. Grote machtige bomen die al honderden jaren deel uit maken van het Landgoed Eikenhorst. Echter sinds een hevige storm twee jaar geleden resten alleen nog de grote stompen van waaruit de wortels in de aarde verdwijnen… Hun stammen zijn gevierendeeld, net zoals de rovers en hun kornuiten enkele eeuwen geleden. Cirkels tekenen zich af op het water, de regen belemmert mij het zicht. Een raar gevoel bekruipt mij…. Zoals altijd als ik dit ven passeer. Zo’n veertig rasse schreden en ik ben er voorbij. Leeg. Een onzichtbare maar duidelijk voelbare energie eist zijn tol. Om het ven te mogen passeren moet je betalen, ongemerkt voorbij gaan is onmogelijk. Moe, zwaar en energieloos trekt ik mijzelf voort langs het donkere pad. De volledige duisternis is ingetreden en ik moet vertrouwen op de speurneus.

Het pad kronkelt zich een weg door het bos en sinds de zware storm ligt het bezaait met takken en halve bomen. Een kwispelend wit puntje enkele meters voor mij ‘verlicht’ mijn pad. Met grote stappen duw ik mezelf voort om zo snel mogelijk weer op het brede pad te komen wat mij zal leiden naar de weg. Vermoeid alsof ik een marathon heb gelopen kom ik aan bij het landhuis. De heer is thuis en de kachel is aan. De pluimen doen een dansje boven het dak en de heerlijke geur van verbrand hout doet mij verlangen naar thuis. Het is laat, veel te laat. Het pad gaat regelrecht naar de verlichte weg en splitst zich halverwege naar de verkorte route door het bos. Kan ik nog een keer de moed opbrengen om me te laten omhelzen door de duisternis… Ik ruik de kachel wat mij doet verlangen naar mijn bank en mijn dekentje.

Lobbes heeft reeds gekozen. Het witte puntje verdwijnt met grote sprongen in het zwarte niets. De speurneus denkt er hetzelfde over en voor ik het weet wordt mijn arm bijna ontwricht van mijn lichaam. Al vloekend laat ik mij leiden door het dunne koord wat de nacht in gaat. Nog zo’n 500 meter zompige blubber scheiden mij van mijn bakje koffie. Mijn verlangen naar doet mijn pas versnellen en voor ik het weet lig ik languit. Een boomwortel heeft mij op andere gedachten gebracht. Nat en vies krabbel ik overeind. Vier glinsterende kralen kijken mij aan en een natte flebber over mijn gezicht brengt me weer bij mijn positieven. Ik kan het. Op vol tempo neem ik de stormbaan als een getraind militair compleet met camouflage schmink. In de verte zie ik de koplampen van een auto en ik weet dat het niet ver meer kan zijn. De oehoe moedigt me aan om vol te houden en de modder trekt aan mijn laarzen om me tegelijkertijd te ontmoedigen. Maar ik houd vol! Nog 100 meter te gaan en ik ruik mijn bakje koffie al! Mijn laarzen landen hard op het asfalt, de smakkende modder heeft verloren. De regendruppels glinsteren in het licht van de lantaarnpaal. Speurneus en Lobbes staan in het felle schijnsel van het licht en kijken me aan alsof ze nog wel een rondje willen. Niet vandaag jongens want het is laat, veel te laat. Morgen gaan we eerder.

Comments are closed.